Dat was jij Marinier!
Ik ben op 14 oktober 1927 geboren in oud IJmuiden en woonde met mijn ouders in de Bloemstraat 93 (deze straat is na de oorlog afgebroken en opnieuw opgebouwd). Ik kreeg de doopnamen Huig Elias mee (zie hierna). Op vrijdag 27 januari 1933 werd ‘s morgens om ongeveer 7:10 uur mijn zusje Bep geboren en diezelfde avond om 19:10 uur overleed mijn moeder, 27 jaar jong. Een drama voor mij tot op de dag van vandaag. Ik was toen 5 jaar. In die tijd werden kinderen buiten het overlijden en het begraven gehouden. En ook ik werd overal buiten gehouden. Ik heb dan ook geen herinnering aan de begrafenis van mijn moeder. Mijn vader, zusje Bep en ik gingen bij mijn grootouders wonen, oma en opa De Jong. Zij hadden 13 kinderen: 7 jongens en 6 meisjes en woonden in een zgn. kamer/keuken woning met boven 2 slaapkamers en een zolder. Van de jongens waren er toen al twee overleden. De ene heette Huig en was 16 jaar en de ander heette Elias van 14 jaar. In het jaar 1916 in de Eerste Wereldoorlog lag de gehele zeevisserij stil. Het was oorlog en het was levensgevaarlijk op de Noordzee en niemand durfde naar zee te gaan terwijl de eigenaars van de vissersboten dringend om bemanning vroegen. Maar wie niet ging vissen had ook geen inkomen en er waren ook geen sociale voorzieningen in die tijd. Dus oma ook niet en zij moest veel "monden" vullen. Zij had dan ook bij de bakker en kruidenier hoge schulden gemaakt. De nood was heel hoog en toen zei opa Willem op een dag: "Ik ga weer varen". Toen zei Cor zijn oudste zoon: "Als vader gaat, dan ga ik ook". Waarop Huig en Elias besloten om ook mee te gaan. Zij zijn toen met z’n vieren naar de haven gegaan en konden al heel gauw aanmonsteren. Het duurde even voor de boot kon uitvaren en in die tijd zei Opa dat hij het toch niet aan durfde en zei: "Jongens we gaan naar huis het is te gevaarlijk", waarop Cor zei: "Als vader niet gaat, dan ga ik ook niet". Huig en Elias zeiden dat zij wel naar zee gingen want er moest geld komen. Ze waren nog niet eerder op zee geweest en hadden dus geen ervaring. De beide anderen hebben indringend op Huig en Elias ingepraat om niet te gaan, maar zij bleven volhouden dat zij wel gingen. Zij zijn die dag uitgevaren, maar op zee gebleven door oorlogshandelingen. Iedereen kan zich voorstellen wat dat heeft teweeg gebracht in het gezin van oma en opa. Het hadden er vier kunnen zijn! Bij mijn geboorte kreeg ik als eerste kleinzoon de doopnamen Huig Elias. Heel bekende en gewone namen in de visserij. Hun namen staan op de vierde plaat van links onderaan op het Vissersmonument op de Kop van de Haven. Toen ik in huis kwam bij opa en oma kon ik geen kwaad doen en ik werd ernstig verwend. Dat herinner ik mij heel goed.Op zondag 22 april 2026 ging Ds. Reefhuis voor in het Kruispunt. In zijn preek ging het mede over Lazarus en de dominee vertelde dat die naam was afgeleid van de naam Eliaser uit het oude Griekenland. Ik realiseerde mij toen dat mijn naam Elias wellicht daar ook een afleiding van kon zijn. Na de dienst vroeg ik Ds. Reefhuis er naar en hij gaf mij uitleg. El zou in de oude geschiedenis GOD betekend hebben en misschien nog wel, en Ias Nabij; dus God nabij. Fijn om te weten. Had ik als Marinier al in mijn Indië tijd willen weten. Als mijn uitleg niet helemaal juist is dan hoor of lees ik dat wel ter zijner tijd.
De tijd en de dagen gingen voor mij min of meer geruisloos voorbij. Ik ging naar school en speelde buiten met vriendjes. In huis merkte ik echter een soort van spanning. Blijkbaar stond er iets te gebeuren en ik kreeg te horen dat mijn vader ging trouwen (of al getrouwd was, dat herinner ik mij niet zo goed meer). Een paar dagen later vertelde oma mij dat ik weer naar mijn vader ging. Hij had een huis gehuurd aan de Adrianastraat in oud IJmuiden en woonde daar met zijn tweede vrouw die mijn stiefmoeder zou worden of al was. Ik wilde niet bij oma weg en zij wilde mij ook wel houden. Er was echter geen ontkomen aan en op zekere dag werden mijn zusje Bep en ik door oma en een tante naar dat huis - dat niet ons huis was - gebracht. Ik herinner mij dat het middag was. Ik voelde mij totaal vreemd bij die tweede moeder. Zij heette Maartje Prins en kwam uit Beverwijk. Zij was nog niet eerder gehuwd en blijkbaar niet gewend om met een jongen van 8 jaar en een meisje van 2 jaar om te gaan. Ik kreeg de huisregels te horen en moest rustig spelen met iets dat er niet was. Die avond werd er warm gegeten; het was iets van peulvruchten. Ik moet toen volgens een van de tantes gezegd hebben dat ik dat eten niet lustte. Ik werd die avond zonder eten al heel vroeg naar bed getuurd, al of niet voor straf. De volgende dag en een aantal dagen daarna kreeg ik datzelfde bord eten weer voor mijn neus. Geen probleem, want uit school ging ik naar oma en heb ik bij haar gegeten. Dat was de les van mijn stiefmoeder: Er kan er maar een de baas zijn en dat was ik niet. Punt uit. Maartje zorgde goed voor de huishouding. Alles was schoon en netjes en was op tijd, maar van individuele en/of sociale empathie had zij blijkbaar geen notie. Dus er zat niets anders op dan te doen alsof. Er zijn later nog meer vervelende straffen geweest. Zo mocht ik een hele zomer 's avonds na het eten niet buiten spelen en moest om 7 uur naar bed. Mijn vriendjes kwamen vragen waar ik bleef: ‘Huig heeft straf,’ kregen ze te horen. Dat had Maartje niet moeten zeggen, want zij bleven voor de deur joelen en dat was natuurlijk mijn schuld. Ook die tijd ging voorbij. Mijn vader was veranderd, een stille man geworden en hield zich geheel afzijdig. De dood van zijn vrouw/mijn moeder zal daaraan ten grondslag gelegen hebben. Hij heeft nooit een woord met mij over mijn moeder gesproken. Hij was in zichzelf gekeerd geraakt en hij was voordien ook al geen prater. Inmiddels had ik op de lagere school (de Marnixschool) de een na de hoogste klas bereikt en omdat ik goede rapportcijfers had (de rapporten heb ik nog), mocht ik naar de Groen van Prinstererschool in oud IJmuiden naar de 3 jarige MULO opleiding. Als je echt goed was kon je de 4e. klas ook doen en was je vrijwel verzekerd van een baan bij de Hoogovens. Inmiddels was het 10 mei 1940 en waren wij voor het 2e jaar bezet door Duitsland. Het hoofd van de school was mijnheer Van Popta. Een hele stoere Fries en een 100% Oranje klant. Hij gaf o.a. Franse les (duits weigerde hij en liet dat aan een andere leraar over) en als je een paar fouten maakte dan moest je op zaterdagmorgen om 8.30 uur weer op school zijn en kreeg je en meestal met nog andere leerlingen extra les en dat was niet mals. Meerdere keren meegemaakt en weg was je vrije zaterdag.
Het was omstreeks eind 1942 begin 1943 toen de school ontruimd moest worden omdat de school in het schootsveld lag van het luchtdoel-afweergeschut in de richting van de Hoogovens. Ik zat toen in de 2e klas en Arendtje (Atie) van Wolferen in de eerste. Die klassen waren samengevoegd i.v.m. besparing van brandstof e.d. Wie wilde mocht naar de MULO in Bloemendaal om verder te leren. Meester Van Popta is kort daarna door de Duitsers gevangen gezet – hij zal zich wel verzet hebben tegen een en ander – hij is in dat kamp ook overleden. Het Van Poptaplantsoen in IJmuiden is naar hem vernoemd. Een groot deel van IJmuiden was geëvacueerd naar Bloemendaal en Overveen. Ik woonde toen in Overveen aan de Waldeck Pyrmontlaan 13 en Atie woonde toen in Bloemendaal in het huis van de burgemeester, die zijn huis had moeten ontruimen voor meerdere gezinnen uit IJmuiden. Atie heeft daar haar diploma gehaald en heeft daarna nog enkele studies afgemaakt. Toen ik thuis kwam met de mededeling dat ik verder ging leren op de MULO in Bloemendaal zei mijn Vader: “Je hebt genoeg geleerd, ga maar werken”. Daar had ik geen zin in, maar niets hielp. Ik moest werken net als allemaal. Kort en goed, ik kwam te werken op een scheepstimmerbedrijf in het havengebied van IJmuiden. Ik stond daar te boek als scheepstimmersmansleerling en ik verdiende de eerste werkweek Fl 2,50 en de tweede week Fl. 3,50. Een werkweek was 48 uur, maar in de praktijk werkte je meer en langer voor hetzelfde loon. Het was een hele overgang van school naar de werkplaats, waar - volgens de ‘vakbroeders’ - een leerling meer last gaf dan nut. Die ondervinding heb ik ook opgedaan. Het bedrijf moest ook werkzaamheden uitvoeren aan schepen van de Kriegsmarine. In de haven van IJmuiden lag een flotille Schnellbote. Die waren van een speciaal soort hout in diagonaal verband gemaakt. Diagonaalbouw was steviger en het hout gaf meer veerkracht als de bewuste boot met hoge snelheid (max 60 a 70 km per uur) over de toch wel rumoerige Noordzee voer. ’s Avonds tegen zonsondergang voeren de boten in linie de haven uit en keerden meestal de volgende ochtend vroeg weer terug, al of niet beschadigd van de acties op zee. Als er houtschade was, was het bedrijf aangewezen voor reparatie en dat was toch wel vakwerk dat verricht moest worden. Op een dag werd ik aangewezen om zo'n klusje te gaan doen. Was ik helemaal niet blij mee en vroeg aan de opdrachtgever een vakman aan te wijzen en niet mij als leerling. Reactie: nee, jij gaat dat karweitje doen: een kogelgat in de romp dicht maken. Een kogelinslag in de diagonale huid gaf veel versplintering. Mij werd verteld: je maakt dat gat splintervrij rond, een houten prop in een grotere maat dan het gat en in de kopse kant van de prop maak je een zaagsnee. De prop sla je met een zware moker vast in het gat en in de zaagsnee sla je een hardhouten keg en dan is het gat dicht. En zo heb ik het gat gedicht. Zelf vond ik het prutswerk, maar ik had gedaan wat mij was opgedragen. Ik neem aan, nee ik weet vrijwel zeker dat het gat niet helemaal waterdicht moet zijn geweest.
Oorlogstijd Achterhoek
Een dag of twee later kwam een onbekende Mevrouw bij mijn vader die vertelde dat ik gevaar liep en verdacht werd van sabotage en dat zij mij kwam halen om naar een veilige plek te gaan. Veel later kwam ik te weten dat die onbekende vrouw een lid was van een ondergrondse CPN-groep. Ik moest een tas met spullen meenemen en samen gingen wij met de trein op weg. Er was toen nog geen Spoorwegstaking. In de trein vertelde zij mij dat we naar Gelderland gingen en dat ik daar weer door andere(n) naar een boerderij gebracht zou worden om daar te blijven en te werken. Ik vond alles best en ik hoopte alleen dat er veel dieren op de boerderij zouden zijn en voldoende te eten voor mij. Ik had altijd honger en er was nimmer genoeg. In de middag kwamen wij aan in Aalten en op het station nam de mij onbekende mevrouw afscheid van mij. Ik bedankte haar vriendelijk en mij twee onbekende mensen namen mij mee naar hun huis. Ik kreeg lekker en genoeg te eten en toen het avond werd gingen we nog voor het speruur op pad. Ze vertelde mij dat ik naar een boerderij ging in het buurtschap Barlo. De boerderij lag aan een lang boerenpad met diepe karresporen. Ergens in the middle of nowhere. Die weg lag ver van de toen doorgaande weg in de richting Lichtenvoorde. De boerenweg waar wij liepen heette De Gantvoorterweg en er lagen twee ver van elkaar liggende boerderijen aan. De eerste boerderij heette 't Gantvoort en daar werd ik heengebracht. Licht was er niet wegens de verplichte verduistering. Was er trouwens ook niet. Ik werd in de woonkeuken van de boerderij gebracht. Daar ontmoette ik de boer Gerhard Hoornenborg, zijn vrouw Daatje, twee schoolgaande dochterjes Willemien en Stien, een zuster van de boer Hanna en de knecht Willie die iets ouder was dan ik. Dat was de kennismaking. De man en de vrouw die mij brachten gingen kort daarna weer weg om voor het speruur (na 8 uur 's avonds mocht je niet meer buiten zijn) weer thuis te zijn. Zij hadden zich bij mij niet bekend gemaakt. Dat voor de veiligheid. Er werd nog wat gepraat, maar erg spraakzaam waren ze niet. Ik heb meer over mijzelf verteld. Het waren zwijgzame mensen, maar zij luisterden wel naar mijn verhaal. Later hebben we elkaar goed leren kennen en ik voelde mij volkomen thuis op de boerderij. In het bijzonder door Hanna die tijdens het eten (20.30 uur) die eerste avond met pap en zwart brood (roggebrood) luid opmerkte: “Joh, wat ben jij mager. Daar gaan we wat aan doen”. Ik mocht zoveel eten als ik wilde. Ik heb toen goed en veel gegeten en ik was al heel snel de vaste bijbellezer na het middageten. Na het avondeten was de werkdag voorbij en ging iedereen naar bed. Ik was van al het reizen en de emoties moe geworden en die nacht sliep ik met Willie in een breed bed. Echter om 5.45 uur werd Willie gewekt en wachtte het werk. Ik ben toen ook opgestaan en met hem meegegaan en heb geholpen met de koeien water geven. Er was geen waterleiding en met een echte ouderwetse pomp met zwengel werd water opgepompt. De stallen uitmesten (zwaar werk) en melken. Dat had ik na verloop van tijd ook snel onder de knie en later bij de plaatselijke veearts examen gedaan met diploma. Na het melken omstreeks 8.00 uur aten we spekpannekoek, brood en/of karnemelksepap. Dat was een vast stramien en er was altijd genoeg en ik werd zienderogen zwaarder en dikker en Hanna lette erop dat ik genoeg at. Het boerenwerk lag mij wel in het bijzonder het werken met de paarden en het verzorgen van alle dieren en dat waren er nogal wat van diverse soort en maat. De koeien kende ik allemaal van naam. Het grote zwarte paard liep mij na als een hond en ik heb veel en lang met haar gewerkt op het land o.a. ploegen. De ploeg werd door twee paarden getrokken en dan werd het paard van de buurman Gert Jentink (ouderling van de Gereformeerde Kerk van Aalten) geleend en omgekeerd hetzelfde. Dat werd ‘burenplicht’ genoemd en er waren meerdere soorten van burenplicht. Een keer in de drie weken had je op zondag de hele dag alleen de zorg voor de dieren. De zaterdagmiddag werd besteed om het gehele erf te harken en te vegen zodat alles er netjes en verzorgd voor de zondag uitzag. Hanna schuurde de zondagse klompen met zand wit. Dat was nogal een klusje voor 7 personen. Op zondag werd er dus door een man/vrouw gewerkt en de anderen woonden en verbleven tot na het middageten in de woonkeuken. In de middag zaten we in de mooie kamer tot aan het avondeten. Daar brandde als het nodig was de kachel en werd de inhoud van de leesportefeuille gelezen. Gesproken werd er weinig. Als Hanna het werk moest doen hielp ik haar na het avond eten en daarna zaten we weer in de woonkeuken. Daar was het altijd warm door het grote fornuis dat altijd aan was. Er was ook een hond en meerdere katten, maar die kwamen niet in huis. Ze moesten, als ze wilden eten, op jacht gaan in de stallen of buiten op muizen ed. Met boerderijdieren heb ik van alles meegemaakt. Geboorten, operaties (groot en klein). Huisslachting. In de boerderij was een vrij grote stenen kamer. Dat was de Potkamer. Een badkamer was er niet. Daar werd de was gedaan. Groenten, fruit en vlees van de slacht ingemaakt. Op vrijdag in de koude periode werd daar een grote ketel met water heet gestookt. Ik kreeg dan 's avonds een emmer met heet water om me in de potkamer te wassen. Dat deed ik niet. Ik ging tussen de koeien staan en waste me daar. En kon net zoveel kliederen als ik wilde. Tussen de koeien was het heerlijk warm en ik was de enige die dat deed. Het water was warm/heet maar in de potkamer was het koud. In de warme tijd het voorjaar en zomer - je had de hele dag tot 's avond 21.00 uur op het land gewerkt - dan voelde ik mij niet fris. Ik ging naar de vrij brede Aaltense beek, ongeveer 10 minuten lopen en sprong dan met kleding en al in het water en zwom dan een tijdje tot ik mij weer fris voelde. Ik had een schone werkbroek en kiel bij me en het natte goed liet ik buiten drogen voor de volgende zwembeurt. In Barlo kende men mij als Huib van ‘t Gantvoort en ik was en bleef een vreemdeling, die zich in de beek, die ook vrij diep was en je moest kunnen zwemmen, waste. Een zeer onaangenaam klusje was als de gierput leeggepompt moest worden. Verdere bijzonderheden laat ik maar voor wat het is. Willie kreeg op nieuwjaarsmiddag zijn loon. Ik had kost en inwoning. Ik heb een keer fl. 50 gekregen. Daar kocht ik rogge voor bij boer Gerhard en liet bij de molenaar/bakker een fors zwart brood bakken van zeker 1 kg. en stuurde dat per post naar huis zonder bekende afzender. We hadden vanwege de veiligheid weinig contact met elkaar en mijn adres was voor hun onbekend. En er was toen helemaal geen telefoon. Later hoorde ik dat het brood zeer welkom was geweest. Ik heb dat nog een keer gedaan en daarna kon dat niet meer vanwege de ‘spoorwegstaking’. Toen militair Duitsland meer en meer onder druk kwam, werd de jacht op onderduikers - dat waren er heel veel in Aalten - en op de buurtschappen opgevoerd. Ik moest met veel anderen buitenshuis slapen. In de zomer was dat niet zo'n probleem maar in de sneeuw, regen en wind was dat hard. Op de boerderij van Gert Jentink was ook een onderduiker. Een brandweerman uit Friesland. Die is later getrouwd met de ‘boerenmeid’ Annie Hoftijzer; zijn naam weet ik niet meer. Ik heb hem veel later nog wel weer in Barlo ontmoet met zijn vrouw en kind. We hebben toen samen en met hulp van anderen op een hoger gelegen stuk weiland een groot en vrij diep gat (een soort kamer) gegraven en stevig en waterdicht afgedekt met balken en hout en raamwerk met graszoden. Via een gang schuin naar beneden en naar binnen. Ik heb nog een foto waarop ik uit het gat door de gang naar buiten steek. Die foto staat ook in het boek “Dwars door Barlo”, dat gaat over de oorlogsjaren van de bewoners en onderduikers. In dat hol hebben we heel wat nachten vertoefd als er weer razzia’s waren. Van slapen kwam meestal niet veel. Ik vond het helemaal niets. Het was er klam en vochtig. We hebben daar met meerderen vertoefd. De gang naar beneden werd met een houten raam bekleed en met graszoden afgedekt. Dat werd door iemand gedaan, die ook een oogje in het zeil hield. Heel vaak was dat Gert. Ik voelde mij niet veilig onder de grond. Als het luik ontdekt zou worden hoefden ze alleen maar een handgranaat naar binnen te gooien. Gelukkig is, zoals duidelijk zal zijn, alles goed gegaan. Op zondag gingen we naar de ‘Onderduikerskerk’ op een van de boerderijen. Naar de kerk in Aalten durfden we niet, want er was op een zondag een grote razzia gehouden in meerdere kerken en toen waren veel jongens opgepakt, die niet meer terug zijn gekomen.In najaar 1944 kreeg ik bezoek van twee mannen van het verzet, die ik van gezicht kende. Zij vroegen mij of zij mijn persoonsbewijs voor twee weken mochten lenen. Zij hadden een klusje te doen. Ik heb ze mijn persoonsbewijs gegeven onder de nadrukkelijke afspraak dat ik het beslist terug wilde hebben. Het was levensgevaarlijk als je werd aangehouden en je geen persoonsbewijs kon tonen. Je ging onmiddellijk achter slot en grendel met een grote kans van 'einde verhaal’. Ik heb het echter nooit terug gekregen. Begin juni (2026) heb ik het Nationale Onderduikmuseum in Aalten gemaild en sprak later Froukje Harmsen, senior medewerkster van het Museum, en vroeg haar of mijn PB na de bevrijding mogelijk in het museum was afgegeven. Zij vertelde dat zij al het mogelijke had gedaan, maar dat zij mijn PB niet had aangetroffen. Zij vertelde ook dat ze blij waren met mijn verzoek, want zij waren in de administratie op zoek gegaan naar nog in leven zijnde onderduikers en hadden mijn naam zonder verdere gegevens gevonden. Voor hen stond het vast dat er geen in leven zijnde onderduikers meer waren. Zij wilde graag dat ik het museum kwam bezoeken en nodigde mij uit. Ik ben toen met mijn neef Teun van Veelen die in Huissen woont, op maandag 15 juni j.l. op bezoek gegaan. Men had in het museum een hele dag gereserveerd. We werden met een lunch ontvangen. Er was een fotograaf een journalist van het dagblad De Gelderlander en nog een man die zich bezig houdt met de geschiedenis van Aalten in oorlogstijd en de onderduikers. We zijn met dat hele gezelschap op bezoek geweest op 't Gantvoort en werden daar ontvangen door de 3e generatie Hoornenborg die ik kende. Ik ben samen met Atie vele keren op de boerderij te logeren geweest en zij bij ons en Gert en zijn vrouw ook. Een meer dan geslaagde dag. De geschiedkundige, zijn naam weet ik helaas niet meer, vertelde dat er in de oorlog meerdere keren een PB werd geleend en dat er veel niet zijn teruggegeven. Ik hoop dat destijds iemand met mijn PB is gered.
December 1944 werd een detachement jonge Duitse parachutisten in de boerderij ingekwartierd. Ze sliepen op de hooizolder, een balkenlaag boven de koestallen met in het midden het zgn. balkgat waar hooi en stro van de zolder op de deel werd gegooid. Ik heb hun commandant duidelijk gemaakt en laten zien dat het heel gevaarlijk was om bij of langs dat gat te lopen. Het is op de zolder donker en er was alleen een carbidlamp in de stal maar niet op de zolder. Het was ook gevaarlijk voor ons als er een ongeluk zou gebeuren. Dat is op een andere boerderij destijds een keer gebeurd. Korte tijd later vertrokken ze weer en zijn toen ingezet bij de slag in de Ardennen. Aan beide zijden zijn er toen velen gesneuveld. Zo ging de winter voorbij en alleen als er gewaarschuwd werd voor een razzia door landwachters/politie kwam er wat spanning in de voor de rest elke dag hetzelfde ritme van het werk.
Marinier
In het vroege voorjaar waren de geallieerde troepen over een breed front aan het oprukken en werd de achterhoek bevrijd. In Groenlo was een aanmeldingskantoor geopend van de Mariniers. Er waren aanplakbiljetten her en der opgehangen met de tekst:Wordt Marinier.
Meldt je aan als Marinier bij de Mariniersbrigade en bevrijdt Indië.
Opleiding in Amerika.
Daar voelde ik wel wat voor en ben er heen gegaan. Alleen had ik een probleem: ik was toen 17 jaar en je moest 18 jaar zijn om zelfstandig te kunnen tekenen. Ik besloot een gok te wagen en had mij ingeprent om als mij naar mijn geboortejaar werd gevraagd 1925 te noemen en niet 1926. Toen ik aan de beurt was en mij vele vragen werden gesteld o.a. mijn geboortejaar heb ik 1925 opgegeven. De schrijver keek mij een beetje onderzoekend aan en haalde er een Officier bij. Die nam mij apart en zei dat hij een beetje twijfelde. Ik vertelde hem een deel van mijn boerderij geschiedenis o.a. dat ik mijn PB aan de twee mannen van het verzet had meegegeven met mijn nadrukkelijke opdracht het mij terug te bezorgen. Zonder PB was je vogelvrij. Ik zei tegen de Officier: “Mijnheer (een marineofficier wordt met Mijnheer aangesproken ) dit is echt zo gebeurd. U hoeft mij niet te geloven, maar zo is het echt gegaan”. Door mijn boerenwerk en het goede eten zag ik er goed en sterk uit, bekeek hij mij nog eens en zei: “Akkoord, je mag tekenen”. Op de akte stond “Qua patet Orbis” hetgeen betekent “Zo wijd de wereld strekt”. Terug op de boerderij heb ik mijn bevindingen verteld. Ik heb mijn weinige spullen in een tas gepakt en ze allemaal persoonlijk bedankt voor hun gastvrijheid. Ik heb mij vanaf het begin thuis gevoeld en het werk altijd met plezier gedaan. Willie de knecht was in loondienst en kreeg een keer per jaar betaald, op Nieuwjaar-middag. Ik heb een keer vijftig gulden gekregen en dat heb ik gebruikt om rogge te kopen en bij de molenaar/bakker grote roggebroden te laten bakken en die heb ik per post naar huis gestuurd en later hoorde ik dat zij daar erg blij mee waren geweest. In het tweede huwelijk van mijn Vader en Moeder Maartje werden twee jongens geboren. Dat waren mijn broers Rens Jan en Willem. Daar later meer over.
Twee dagen later was ik met een stel Mariniers nog in burger gekleed in een legertruck onderweg naar Maastricht. Daar werden we al als militair bejegend. Je had je handtekening gezet en orders zijn orders. Na een militaire hap reden we die dag in een stuk door naar Oostende (België) en kwamen we in de nacht in een kazerne aan. Eten en gezamenlijk slapen op een zaal. De volgende dagen ondergingen we een zeer strenge keuring en dat duurde uren. We kregen de nodige injecties en werden militair gekleed, maar nog niet in het Mariniersuniform. Ons werd verteld dat we naar Schotland gingen naar een eilandgebied Rossneath en daar zouden we in een paar weken militair gevormd worden. Een paar dagen later vertrokken we met een landingsboot van de Britse Marine het Kanaal over naar Portmouth. Vandaar met een 12 uur durende treinreis (locomotief met wagons) naar Schotland. We sliepen daar in ronde stalen hutten (de zgn. quonset hutten) en werden gedrild en kregen het nieuwe uniform in uitgaanstenue en werkkleding. Onze burgerkleding, lompen, moesten we inleveren en werden vernietigd. Toen we genoeg militair gevormd waren mochten we onder begeleiding naar het dichtstbijzijnde stadje om een paar uur te passagieren. Weer eens wat anders, maar meer ook niet. We kregen te horen dat we binnen enkele dagen naar Portmouth zouden vertrekken om daar ingescheept te worden in een van de platbodem landingsschepen met vooraan openslaande deuren die in 1944 gebruikt waren bij de landingen op de Franse kust (The longest day) Het waren echte – voor eenmalig gebruik – schepen voor het vervoeren van tanks en ander zwaar materiaal. Later heeft men zich gerealiseerd dat er ook bemanning en soldaten mee moesten en de kombuis was daar ook niet op berekend. In de lange smalle gangen had men aan de wand smalle stalen brancard/bedjes gelast en dat was ons verblijf. Behalve een detachement Mariniers waren er ook veel Amerikanen aan boord die meegedaan hadden aan de landingen en verdere zware gevechten richting Duitsland en die nu weer terug gingen naar de USA. Het was geen aangenaam en prettig verblijf op die schepen. Hoeveel schepen het waren weet ik niet, maar later op de Oceaan voeren we in konvooi want de oorlog met Duitsland was nog niet voorbij en de Duitse marine was nog actief op zee. De overtocht zou 9 dagen duren. We kregen echter vliegend stormweer op de Noordatlantic en daar waren die schepen niet opgebouwd en bovendien waren het platbodems. De reis duurde 13 dagen en die gehele tijd zijn we allemaal, zonder uitzondering, danig zeeziek geweest en ik in het bijzonder; iets vreselijks! Er werd dag en nacht wacht gelopen door mannen, die in geval van breuk stalen platen op het dek konden lassen. Gelukkig kwamen we later in rustiger water terecht toen we Amerika naderden en in een van de havens van New York van boord gingen. Wij mariniers, gingen regelrecht naar het station en werden daar in een hele lange trein geladen en gingen op weg naar de staat North Carolina alwaar ons in het Opleidingskamp Lejeune van de Amerikaanse Mariniers een harde Amfibische infanterie-opleiding te wachten stond. Uiteindelijk hadden wij daar voor gekozen na 5 jaar bezetting met al de gevaren ongemakken van die tijd. De jeugd van tegenwoordig plant en neemt een zgn. tussenjaar en gaat op reis. Ik gun ze dat van harte en veelal doen ze in dat jaar ook nog vrijwilligerswerk. Camp Lejeune is volgens zeggen zo groot als de provincie Utrecht en is nogal drassig en heeft een heet en vochtig subtropisch klimaat met een maximum temperatuur van 31-32 graden C en in de namiddag flinke onweersbuien. Dus een uniek gebied voor de opleiding tot Marinier voor gevechten in de Pacific. De opleiding kregen wij van Amerikaanse Mariniers die gewond waren geraakt tijdens gevechten op Okinama en Iwo Jima het zgn. ‘Eilandje springen’ en niet meer voor de actieve dienst geschikt waren. Het geheel stond onder leiding van doorgewinterde instructeurs en het was dus “Van dikhout zaagt men planken”. Ze waren dan ook genadeloos als het niet goed ging. Voor velen van ons was het te zwaar na 5 jaar bezetting en ondervoeding. Toen ze dat verteld werd, werd een en ander een ietsje gematigd. Voor de schietoefeningen ging je drie weken naar de schietbanen. Daar sliepen we in tenten. Op de schietbanen lag je met dertig man op een rij. Elk zijn eigen schietschijf en instructeur. Er werd geoefend met geweer, jungle karabijn, pistool en het Browning automatic rifle. Dat oefenen ging de hele dag door ongeacht de omstandigheden en er werd per man honderden patronen verschoten. De instructeurs gokten onderling op de resultaten van hun eigen schutter en je was nog niet 'jaríg' als je missers had. Je liep de hele dag met je wapen met een zgn. Sling aan je arm met het motto “Je moet één en vertrouwd worden en zijn met je wapen”. Speedmarsen van 30 a 40 km overdag en/of 's nachts met volle bepakking. Ongelukkig als je als mitrailleurschutter werd aangewezen. Later, in Indië vertelden dienstplichtige soldaten van het leger mij, dat zij tijdens hun opleiding 5 patronen met hun geweer mochten/moesten verschieten. Na de schietopleiding volgde de speciale opleiding zoals bv. parachutespringen van de springtoren en de oefening schipverlaten. Je moest dan van grote hoogte in het water springen. Dat vond plaats in het grote zwembad met een heel hoge duiktoren. Het centrum van het Camp was heel groot en verhard en bebouwd met goede woonblokken en buiten overal glad geschoren grasgazons. Dat scheren werd gedaan door gestraften in eigen tijd. Er waren sporthallen en terreinen. Theaters, bioscopen en niet te vergeten een enorme bierhal. Er werd veel aan vrijetijdsbesteding gedaan, want veel verder dan het camp kwam je niet. Het camp had een eigen vliegveld en een busstation en de lichamelijke verzorging was uitstekend. Controle na controle en de nodige herhaal-injecties. Het eten was heel goed. We kregen van alles behalve gekookte aardappelen en in het begin gaf dat aanleiding tot veel gemopper. Bij het warme eten kreeg je een zgn. ijslepel met puree en allengs aten we dat maar voor de helft op. Er was genoeg en veel ander lekkers. En voor we er erg in hadden liep de opleiding voor de 2500 Mariniers van de Nederlandse Mariniers Brigade ten einde. Dit had ik niet willen missen. Op 15 augustus 1945 capituleerde Japan en werd de rest ons geschonken. De Amerikanen zeiden: “Boys the war is over. We 'r going home”. Hier en daar werden de puntjes nog eens op de i gezet wat betreft onderdelen van de opleiding: voornamelijk handgranaat-gooien en mortieren. Ook daar werd door de Amerikanen op gegokt. Zij gooiden de granaat verder omdat we op de school al eerder leerden honkbal te gooien. Wij schoten in een bepaald tijdsbestek meer mortiergranaten de lucht in tot aan de ontsteking (ontploffing). Er kwam een schriftelijke order dat we vrij binnenkort naar Indië zouden vertrekken. Er kwamen beroepsofficieren van het Korps uit Holland die niet lovend waren over die vrijwilligers van de Brigade, maar later hebben zij zich bekeerd. Zij kwamen al gauw tot de ontdekking dat wij goed en zwaar getraind waren. Zij hadden opdracht om het vertrek van de Brigade naar Indië in gang te zetten. Er werd een groot afscheidsfeest gevierd en de verbroedering was fataal in de ogen van de Beroeps. Van de Amerikanen deed hoog en laag van harte mee.
Toen kwam de dag dat wij weer per trein vertrokken naar de haven Norfolk en daar ingescheept werden in het m.s. Noordam van de Holland Amerika Lijn. Een tamelijk oud schip dat was ingericht voor troepentransport en al meerdere reizen had gemaakt van Amerika naar Engeland. We sliepen in de tot verblijven omgebouwde ruimen op ook weer brancard-bedden en gelukkig geen hangmatten. Tussen de bedden was naast en boven je heel weinig ruimte. De verblijven waren niet ruim bemeten, vochtig en benauwd. Toen we in de buurt van het Midden-Oosten kwamen en het warm werd, was het beneden geen uithouden en bleven we aan dek. Ook daar was de ruimte beperkt voor 2500 man. De Engelsen, die het beheer over het Suezkanaal hadden, lieten de Noordam niet toe. We lagen toen voor anker in de nabijheid van de stad Aden in de Rode zee. Na lange tijd aan boord van de Noordam kregen we in groepen (order van de Engelsen) toestemming om aan wal te gaan en mochten we passagieren in de stad. We hadden een vlootpredikant (zijn naam weet ik helaas niet meer) aan boord; hij stelde voor om de woestijn in te gaan. We zijn toen met een kleine groep o.a. op de plaats geweest waar de Israëlieten door de Rode zee zijn getrokken en de dominee gaf uitleg hoe dat mogelijk was geweest. Een harde wind uit een bepaalde richting had het water opgestuwd waardoor er een droogte werd gevormd en dat gebeurde toen wel meer. Na enige tijd mochten we door het Suezkanaal en uiteindelijk mochten we van de Engelsen in de haven van Tricomali/Malakka voor anker. Het eten aan boord was minimaal en uitgesproken slecht en dat vergeleken met Lejeune. We kregen van de wal nieuwe eetvoorraad aan boord. Dat was rijst van een afwijkende kleur en kwaliteit. Toen we die rijst voor de eerste keer aten werd vrijwel iedereen 'buikziek' en was de lucht in en rondom het schip ook niet te harden en niet van gezonde kwaliteit. De scheeparts kwam handen en schoonmateriaal te kort. De wasbakken werden ook gebruikt voor overgeven enz. Niet fris. De Engelsen vonden 2500 zwaar bewapende Mariniers om naar Indië te gaan te veel en een paar honderd man moesten van boord en werden op een verlaten rubberplantage Ladang Geddes achtergelaten: je redt je maar. Voor mensen met een kijkje op slangen en spinnen was het daar een uitgelezen plaats. Dat is mij later verteld door de achterblijvers die uiteindelijk ook in Soerabaja aankwamen.
Kort na vertrek van Malakka kwamen we in Indië aan en werden gedebarkeeerd in de haven Soerabaja de stad van de Mariniers. Er was een eind gekomen aan een lange en bizarre reis om nooit te vergeten. We kregen per onderdeel verblijven aangewezen met heel strikte orders. Je mocht alleen gewapend de straat op in gevechtstenue en met z'n tweeën. We moesten gevechtsklaar zijn en er werden dag en nacht regelmatig patrouilles uitgestuurd in en vlak buiten de stad. We hoorden schieten buiten de stad, wie dat waren werd niet bekend. Buiten de stad lagen Gurka eenheden, die - zoals we hoorden - af en toe werden overvallen door grote eenheden jeugdige Vrijheidsstrijders, die zich bewapend hadden met vlijmscherpe bamboesperen, die pijnlijke verwondingen veroorzaakten en dodelijk waren. We kregen opdracht de Gurka's op de buitenposten af te lossen. De opstandelingen hadden de dierentuin van Soerabaja met veel wilde dieren opengezet en die zwierven rond op zoek naar eten. Het kwam voor dat in noodgevallen dieren moesten worden afgeschoten. Erger was dat die jeugdgroepen en andere vrijheidsstrijders en opstandelingen ook de vrouwenkampen met kinderen belaagden en ook daar vielen slachtoffers. Het was de Bersiap tijd en duizenden mensen werden vermoord. Bersiap (maleis) betekent als krijgskreet: Val aan en Wees waakzaam. Er werden veel Indo Europianen en Chinezen vermoord en in en rond de kampen was het al niet veel beter. De jappen die de kampen bewaakt hadden, hadden zich terug getrokken. Zij hadden een heel streng bewind en er werden terreurdaden gepleegd tegen vrouwen en kinderen. Toen de terreurgroepen de kampen belaagden werd het zelfs de jappen te gortig en namen zij de bewaking weer op zich tot veiligheid en rust van de bewoners. De Mariniers kregen opdracht de orde in en rond de kampen veilig te stellen en dat hebben we met graagte gedaan. We werden dan ook dankbaar en met gejuich ontvangen. De vrouwen waren hogelijk verbaasd, goed uitgeruste en gezonde Nederlandse jongens te zien. Genoeg hierover; er volgde de ene na de andere opdracht om orde op zaken te stellen en dat deden we snel. Ook wij moesten onze eerste doden en gewonden tellen. Een kleine gevechtsgroep van ons moest deelnemen aan de landing op het eiland Madoera dat recht tegenover Soerabaja aan de andere zijde van de straat Madoera ligt. Ik was daar ook bij. Later hebben wij de landing op Bali ook gedaan. Daar waren nog plm. 80 Japanners o.l.v. van een officier - een kapitein die vlot Engels sprak - aanwezig. Hij salueerde en gaf zijn soldaten opdracht om hun wapens op een hoop te gooien en stelde zich en zijn mannen als krijgsgevangenen ter beschikking. Ze zorgden zelf voor onderdak en dat hebben we zo gelaten. Ze gedroegen zich correct, salueerden voor een ieder van ons en ze hielden onder commando van de kapitein elke ochtend en avond militair appel.
Tijdens de 1e politionele actie werden wij als Landingseenheid aan boord van de Landingsboot Woendi en twee destroyers van de Kon. Marine richting de kust van Oost Java gebracht. De ochtend voor de landing hield vlootaalmoezenier Pater Van Vliet een korte Eucharistieviering voor de RK broeders en op zijn uitnodiging heb ik ook meegevierd. De schepen openden met kanonvuur op de kust (strand) met de naam Pasir Poethi (Pasir is strand en Poethi is wit) en de Marine vliegdienst met de toen bekende Fireflies (vuurvlieg) jachttoestellen. Toen er geen tegenvuur meer kwam zijn we van de landingsboot langs ladders door het water naar het strand gelopen en moesten ons wapen boven het hoofd dragen. Dat fragment is meerdere keren op de TV vertoond. Vanaf de landingsplaats zijn we in korte tijd in een versneld tempo opgerukt naar de dichtstbijzijnde haven Probolingo en een paar dagen later hadden wij heel Oost Java veiliggesteld, tot we weer - door de politiek - gedwongen werden pas op de plaats te maken. Dat deel van Java bestaat voor het overgrote deel uit diverse soorten plantages, zoals suiker, koffie en specerijen. Wij moesten de plantages veiligstellen tegen verwoesting door brand en explosieven. Tijdens een actie in de Porongdelta wilde een sterke afdeling van gewapende opstandelingen de sluizen van Modjekerto openzetten om alle rijstvelden in de delta ter vernieling onder water te zetten en een afdeling van het leger (landmacht) met bijstand van de Brigade moest dat voorkomen. Daar heb ik Malaria Tropica opgelopen. Een ernstige gevaarlijke ziekte met zeer hoge koortsen. Je krijgt het door een steek van een vrouwelijke malaria mug die bloed zuigt tot onderhoud van haar nageslacht. Ik heb enige tijd in het Marine hospitaal in Soerabaja gelegen. Daarna ben ik een paar weken op Nieuw Guinea geweest met burgeropdracht. Daar ben ik goed hersteld van de malaria en keerde weer terug naar Java en heb daar verdere opdrachten vervuld.
Het was inmiddels najaar 1947 geworden en er werd bekend gemaakt dat een groot deel van de Brigade ging ‘thuisvaren' en eind december werden de plunjekisten ingepakt en verzameld voor vertrek en werden we ingescheept in de haven van Soerabaja in het m.s. Grote Beer; dat waren de mannen van het eerste uur. In de loop van de tijd was de Brigade aangevuld tot plm. 5000 man met dienstplichtige Zee miliciens, dat waren de mannen die nog een tijdje moesten blijven.
IJmuiden
Na een reis van ruim 3 weken kwamen we in IJmuiden aan en voeren – na schutting in de middensluis – over het Noordzeekanaal door naar Amsterdam. Aan de wal stond een muziekkorps te spelen. Echt warm weer was het niet en we hadden onze winteruniformen weer aan. We kregen een grijze dunne zomerpantalon en textielpunten want kleding was nog op de bon. We kregen echter geen geld om kleding te betalen. We mochten ons militaire windjack privé dragen maar de strepen moesten er dan af. We werden met bussen naar onze bestemmingen gebracht. De bus waarin ik zat moest onderweg een paar keer stoppen o.m. in Amsterdam. Je kon zo zien waar de bus moest stoppen. Vlaggen en ballonnen en veel familie en buren. Er werd onmiddellijk begonnen met muziek en feest op straat en in huis. Dat duurde zo enige tijd en op nog meer stopplaatsen en zo kwam het dat ik in IJmuiden werd afgezet op het min of meer verwoeste Kennemerplein met nog een beroepsmarinier ene Korporaal De Jong die ik nog niet eerder had ontmoet. Hij was gehuwd en tijdens zijn verblijf in Indië was zijn vrouw al een jaar geleden overleden bij de bevalling van hun eerste kind. Men had hem geweigerd verlof te verlenen voor de begrafenis. Hij was een broer van de bekende Ab de Jong in IJmuiden. Zijn vrouw was daar tijdelijk in huis en hij vroeg mij waar het adres was waar zijn broer woonde. Ik wist dat gelukkig en bracht hem daar. Binnenkort zouden ze weer teruggaan naar hun huis in Zeeland. Ik ben op zoek gegaan naar het adres waar ik moest zijn. Het was in de straten nog een chaos van de oorlog. Toen ik bij het huis kwam: geen vlaggen en geen familie en vrienden. Ik moest bellen en mijn zuster Bep die ik in jaren niet had gezien deed open en binnen hebben we elkaar begroet. Mijn vader en moeder Maartje en mijn zus Bep. Mijn broers sliepen. Die zag ik de volgende morgen en toen begon het ‘burgerleven’. Ik had 5 maanden verlof en moest er erg aan wennen weer ‘alleen’ te zijn. In Indië hadden we geen verlof. Nu geen maten meer waar je mee deelde. Ik zag er tegenop om 5 maanden mijzelf te moeten vermaken en toen ik daarover sprak zei mijn vader: “dan ga je toch in de vishal werken”. Dat was het laatste wat ik wilde en zo gingen de dagen met niets doen in het Christelijk Gereformeerde gezin van de familie De Jong voorbij. Maar ik had gelukkig mijn oma Betje en mijn opa Hendrik de vader van mijn Moeder nog en ik bezocht ze regelmatig.Atie
Ik had geen burgerkleding, dus droeg ik mijn Amerikaans Mariniersuniform. Op een dag besloot ik naar de kapper te gaan in de Kennemerlaan. In de kappersstoel zat een wat oudere man en ik nam plaats op de stoel achter hem. We keken beiden in dezelfde spiegel en konden elkaar zien. Hij keek mij gedurig aan en zei niets, maar ik zag aan zijn gezicht dat hij wel wilde weten wie en wat ik was en welk uniform ik droeg. Ik vertelde hem dat, maar blijkbaar wilde hij meer weten. Hij vroeg mijn naam en toen vroeg hij, is jouw vader Jan de Jong? Ik bevestigde dat en toen vertelde hij dat hij met mijn vader in de vishal had gewerkt, maar hij zei er ook bij, “dan ben jij Christelijk gereformeerd opgevoed”. Toen hij klaar was vertrok hij, mij vriendelijk groetend.Een paar dagen later stond ik in uniform op de hoek van de Kennemerlaan en de Snelliusstraat. Het was rustig, zonnig weer. Ik keek eens om mij heen naar de puinhopen die er lagen. Ik zag toen vanuit de Jacob van Heemkerkstraat een jonge vrouw met alles er op en er aan in mijn richting komen. Zij kwam resoluut op mij toe en vroeg: “Ben jij Huig de Jong?” Ik was min of meer verbouwereerd en antwoordde bevestigend. “Dan ben jij terug uit Indië” en ik zei: “Ook dat is waar”. Ze vroeg: “Ken je mij niet meer? Ik ben Atie van Wolferen we hebben samen in dezelfde klas van 'De Groen' gezeten”. “Nou je dat zegt, weet ik het weer”. We stonden nog even te praten toen ze vroeg: “Ga je met mij mee bij mijn moeder thee drinken. Ik vond dat een geweldige uitnodiging en armpje door gingen we naar de overkant en bleek zij in de Jacob van Heemskerkstraat nr. 9 te wonen. Ik werd vriendelijk door haar moeder ontvangen en het werd al pratend een heel gezellige middag. Omstreeks 16.30 uur ging de achterdeur open en kwam een man binnen. Toen wij elkaar zagen, zeiden wij: “Wij kennen elkaar”. Het was de man die ik bij de kapper ontmoet had. Het was Atie haar vader en hij was ook ouderling van de Gereformeerde Kerk. Ik bleef eten en er werd die verdere dag veel gevraagd en verteld. Zij liet mij uit en vroeg, “zien we elkaar weer?” en ik zei dat ik haar van haar werk zou komen afhalen. Zij werkte op een afdelingskantoor van het Ministerie van Vis en Visserijproducten en zij was dus een ambtenaar. Wij zagen elkaar vrijwel dagelijks en zo is het gekomen en zo is het gebleven tot 22 april 2020.
Toen mijn verlof voorbij was en ik gedemobiliseerd was kwam de vraag: “Hoe nu verder”. Ik had geen MULO Diploma, ik kende geen vak en ik moest wel wat gaan doen voor de kost. Aanvankelijk had ik eerder het plan opgevat om bij te tekenen voor het Korps Mariniers. Dat werd een verbintenis voor 6 jaar en ik moest gelijk weer terug naar Indië. Ik was toen in de Marine Kazerne in Amsterdam. Ik moest daar mijn wedde en kantinegoederen halen. Toen ik daar later met Atie over sprak, kwam die optie niet meer ter sprake. Zij wilde niet dat ik dat deed en ik was het ook niet meer van plan. Ik heb toen gesolliciteerd bij de Kon. Marechaussee, maar dat werd een fiasco. Ook bij de Douane maar daar kreeg ik geen antwoord van. Als laatste bij de Gemeentepolitie Amsterdam. De gemeente Amsterdam kreeg vanuit Den Haag toestemming om een eigen Opleidingsschool te beginnen. Dat was heel iets nieuws. Als je destijds solliciteerde moest je al een diploma hebben. Je moest zelf op de een of andere manier je wetskennis vergaren en je deed examen bij een van de Politiebonden. Ik kwam in de “Molen” terecht en na veel gesprekken met diverse politiemensen, psycholoog en psychiater en een arts en nog wat schriftelijk werk, kreeg ik met nog 33 anderen een aanstelling als Adspirant agent van politie te Amsterdam tegen een salaris van iets meer dan Fl. 2000,00 per jaar. Ik hoorde later dat wij uit 1000 sollicitanten geselecteerd waren. De school was gevestigd in een oud schoolgebouw aan de 3e Oosterparkstraat in Amsterdam oost. Elke dag van IJmuiden met de trein, om 9.00 uur in de school aanwezig. De lessen duurden 50 minuten en om 17.00 uur was het einde voor die dag. Dat heeft zo twee jaar geduurd. We kregen in heel veel soorten les in wetskennis en veel schriftelijk werk. Nederlandse taal kregen wij van een echte gepensioneerde Amsterdamse schoolmeester in een volkswijk. Alles was er op gericht om van de school een succes -nummer te maken. We deden examen en ik slaagde voor het diploma A en AA en ik had buiten de school om bij de Christelijke Bond van politie ambtenaren gevraagd om examen te mogen doen voor het Rijksdiploma B. Dan moet je voor elk vak gemiddeld een 8 hebben en met nog drie negens. Ik was van mening dat de stof die ik had geleerd op school met veel huiswerk voldoende was voor het diploma B en ik slaagde met lof. Dat is me niet in Amsterdam met dank afgenomen, want zeiden ze: “Je doet nu niets meer om kennis op te doen”. Ik heb heel veel voordeel gehad van deze school en mijn diploma's. Ik werd aangesteld als agent van gemeentepolitie Amsterdam en werd aan het bureau Warmoesstraat geplaatst in de warme buurt. Na anderhalf jaar solliciteerde ik bij de Gemeentepolitie Velsen en kreeg daar ook mijn aanstelling. Ook dat werd mij door Amsterdam niet in dank afgenomen. Na 6 jaar uniformdienst werd ik bij de Justitiële dienst (recherche) geplaatst. Werd bevorderd tot brigadier en na de Recherche- en Kaderschool werd ik aangesteld als Chef recherche in de rang van Adjudant F-niveau en als zodanig gepensioneerd; nu 40 jaar geleden. F-niveau krijg je als je excelleert in je vakgebied.
In 1950 zijn Aat en ik in de Herv. Kerk aan de Kanaalstraat getrouwd (zelf hadden wij geen kerk) en aan het eind van het jaar werd onze Jan geboren. De jaren gingen vrij rustig voorbij, zoals in die tijd gewoonte was. Geen reizen en feesten. We hebben drie maanden ingewoond bij de ouders van Atie. Hierna kregen we een duplex woning aan de Lekstraat en van daar naar de Boerhaavestraat waar we 30 jaar gewoond hebben. Tenslotte verhuisden wij naar Velserbroek in een geweldige seniorenwoning, die niet meer gebouwd zijn (namen te veel ruimte in) en ik woonde daar 30 jaar met Atie tot ons groot welzijn. Een fijn kerkelijk leven, goede buren en een heel rustige buurt. Toen ik nog dienst deed hebben Atie en ik met goede vrienden reizen gemaakt naar Turkije, Oostenrijk, Duitsland, Griekenland en een reis naar Amerika met familiebezoek. Na mijn pensionering hebben wij een motorboot (Fries tjalkje van 13 meter) gekocht en hebben samen en met anderen mooie tochten gemaakt in Noord-Holland, IJsselmeer, Waddenzee en vooral Friesland. Dat was een hele mooie tijd. In de winter vanaf eind december tot eind maart begin april hebben wij vele jaren in Benidorm gewoond. Ook dat was een fijne tijd. Bezoek van de kinderen, familie en anderen. In de loop van de tijd hebben de Nederlandse wintergasten na de tijd van “Huisdiensten” een eigen Kerkgebouw gekocht en als kerk ingericht, waar elke zondag zeker 250 a 300 mensen kwamen uit 19 verschillende denominaties en elke drie maanden een andere predikant. Daar hadden wij een vrij grote kring van vrienden en Atie en ik hebben daar fijn gewoond en geleefd. En zo zijn in al die jaren Jan met Petra 't Hart in de Ichtuskerk getrouwd en kregen zij drie kinderen. Huib en Petra en Jolanda (tweeling). Mijn broer Rens trouwde met Ineke Huizinga.
Broer Wim
Wim was een mongoloïde jongen waar veel zorg door Rens, Ineke, Atie en mij aan is besteed. Hij heeft vele jaren bij zijn ouders gewoond en werd en was alom bekend in heel IJmuiden. Hij was een vrijbuiter maar kon goed klokkijken en kwam overal waar wat te doen was precies op tijd. Hij kwam eens op de verjaardag van een van zijn tantes met een bos bloemen. Zijn tante vroeg waar hij die bloemen vandaan had. Hij had namelijk nooit geld bij zich, want dat wilde hij niet. Als men hem geld gaf, dan gooide hij dat weg. “Van 't graf (de Westerbegraafplaats)”, zei Wim, want hij wist overal raad op. Wim was ook de eerst Oecumeen. Hij ging op zondag met zijn ouders naar de kerk en die dienst duurde destijds een uur en drie kwartier. Ruim voor die tijd en tijdens een gebed als iedereen met gesloten ogen zat, verliet Wim geruisloos de kerk. Dan ging hij naar de RK aan de Kanaalstraat en bleef daar tot het eind van de voor Wim levendige dienst. Dan deed hij thuis een laken om en met een stoel met de rugleuning voor hem ( dat was het altaar ) en met de bel die ik speciaal voor hem had gekocht deed hij de dienst zeer serieus na. Na het middageten vertrok hij naar het sportpark Schoonenberg en zonder betaling woonde hij de wedstrijd bij en tijdens de rust gaf Wim een demonstratie voetbal-techniek op het veld tot groot vermaak van het publiek dat voor hem klapte. En Wim genoot weer. Na afloop ging Wim naar de Edisonstraat naar het gebouw van het Leger des Heils en woonde daar de zangdienst bij. Het was avond geworden en na het eten ging Wim naar bed en sliep de hele nacht om de volgende morgen weer naar de sociale werkplaats te gaan om daar werk te doen dat hem aanstond. Later is Wim in de Duinpan in IJmuiden gaan wonen en vandaar moest hij naar Haarlem in een huis van Philadelphia Zorg. Daar vond hij het geweldig en hij was de favoriet van de dames die daar zorgden en ze waren allemaal weg van hem. Wim is op een maand na 70 jaar geworden. Er was veel verdriet om Wim in Haarlem. Drie dames vroegen mij: “Wim krijgt toch wel een mooie kist?” Ik vroeg hen: “Willen jullie een mooie kist voor Wim kopen” en geef mij de rekening maar. En het was een heel mooie kist, net zoals zijn begrafenis op Duinhof in IJmuiden ook was. Er was veel over Wim in de krant geschreven (die knipsels zijn bewaard gebleven) en wij waren dan ook niet zo verwonderd dat er zoveel mensen op zijn begrafenis waren gekomen. Veel bloemen enz. Ik had onze dominee Marianne gevraagd om de dienst te leiden, ondanks dat Wim geen lid van onze Kerk was. Marianne deed dat graag, want zij leidde ook diensten voor gehandicapten en daar kwamen wij met Wim ook. De dienst werd gehouden in de Aula op Duinhof en velen moesten staan en er waren er ook die nog niet eerder zo'n dienst hadden meegemaakt en Marianne nam deze gelegenheid te baat. Bij het open graf bad Marianne het gedicht door haar berijmd voor deze gelegenheid “Ik ga slapen, ik ben moe”. De door haar aangepaste tekst heb ik niet. Dat gebed heeft blijkbaar op zovelen een diepe indruk gemaakt, dat ik lange tijd later nog werd aangesproken door mensen, die geen kerk bezoeken, dat ze nog nooit zo'n begrafenis en vooral het emotionele gebed hadden meegemaakt. Het is dan ook droevig dat onze broer Rens – de echtgenoot van Ineke – dit voorgaande niet heeft mee mogen maken. Hij overleed op 8 september 2010.Overlijden Atie
In 2019 begon Atie moeite te krijgen met haar gezondheid. Zij kreeg pijn in haar linker heup. Een aantal jaren daarvoor werd zij in vier maanden tijd aan beide heupen geopereerd. Daar heeft zij goed mee kunnen leven. De linker heup deed veel pijn en bij onderzoek bleek dat de kom van die heup los zat. Die was gelijmd in plaats van geschroefd. De arts zei: “Voor mij geen probleem, maar zij kan die operatie niet aan”. Later kreeg zij ook nog een hartprobleem en zij leed veel pijn. Middels de pijnpoli kreeg zij morfine pleisters, die zouden haar een week vrij van pijn houden. Echter na een paar dagen begon ze toch weer paracetamol te slikken en heb ik in een week drie keer 112 moeten bellen. Pijn en benauwdheid. De ambulance-broeders wilden haar meenemen. Zij weigerde dat, want ik mocht niet mee. Het was coronatijd. Dat gebeurde die week twee keer. Diezelfde week zei zij op zaterdagmiddag: Ik wil vanmiddag naar Duinhof naar het graf van vader en moeder. Daar kwamen wij elke drie weken, maar nu waren wij al een hele tijd niet geweest, omdat zij dat niet aan kon. Er stond een mooie plant op tafel en die moest mee. Ik zei haar dat ik er tegen op zag. Hoe dan ook, we zijn naar Duinhof gegaan en vraag niet hoe. Ze kon nauwelijks lopen. Onderweg zei ze: Ik ga God ontmoeten. Daar keek ik wel van op. Alhoewel zij zich al eerder in die zin had uitgelaten en we hadden daar een gesprek over. Toen we bij het graf waren leunde ze zwaar op de steen om uit te rusten. Een tijdje later zei ze: Laten we maar naar huis gaan. Bij het weggaan draaide zij zich om en zei luid en duidelijk: Ik kom ook zo hoor! Diezelfde nacht moest ik weer 112 bellen. De tocht was te zwaar geweest. De ambulancebroeders zeiden tegen haar: En nu ga je wel mee. Ze gaf het op en zij ging; ik mocht niet mee, ook niet met eigen vervoer. De zondag daarop mocht ik haar bezoeken. Zij had medicijnen gehad en lag aan de hartbewaking. Ze was rustig en enigszins hersteld en we hebben met elkaar gesproken. Ze zei ondermeer: Ik wil net als mijn ouders een snelle en pijnloze dood en ik bid er om. Haar vader kreeg een open hersenbloeding die fataal was. Haar moeder woonde in de Moerberg en tijdens een middagslaapje overleed zij. De Cardioloog zei dat ze met medicijnen naar huis mocht, maar dat wilde zij niet. Ze kon ook voor een dotterbeurt-behandeling naar het OLVG in Amsterdam. “Doe ik ook niet, want dan moet ik weer onder narcose”. Ze had eerder al een maagbloeding gehad en is toen ook onder narcose geholpen, maar dat was haar zwaar tegengevallen en dat eindigde in een delier. Ik maakte haar duidelijk dat dotteren zonder verdoving gebeurde. Toen vond ze het goed dat ze naar Amsterdam ging. Die woensdag 22 april 2020 belde ze me en vertelde dat ze haar kwamen halen om naar Amsterdam te gaan en zei: “Nou tot vanmiddag”. Een paar uur later werd ik gebeld dat ik moest komen want het was levensbedreigend. Voor mij was toen al duidelijk, dat Atie was overleden. In het OLVG stond de arts al op ons te wachten – mijn zoon Jan was er uiteraard bij – en wilde blijkbaar een gesprek beginnen. Ik zei hem dat ik maar een vraag had “Heeft mijn vrouw geleden?”. “Nee” zei hij, “ze was in luttele seconden buiten kennis. De aorta is gescheurd”. Dan raak je zoveel bloed kwijt, dat overleef je niet. Haar wens/gebed voor een snelle dood was verhoord.Mijn vader Jan is van al zijn broers de oudste geworden, 79 jaar en hij en moeder Maartje zijn twee jaar na elkaar overleden. Moeder Maartje was altijd heel erg kien. Maar zij werd bij het doen van tafelspelletjes met Ineke en Rens vergeetachtig en had moeite met tellen, en dat leidde uiteindelijk tot een diepe dementie. Zij herkende niemand meer. Zelfs Wim niet. Zij werd verzorgd op een aparte afdeling in het Oude Velserduin in Driehuis. We bezochten haar regelmatig. Ik had een sleutel van de afdeling en kon elk moment naar binnen. Atie en ik gingen vrijwel elke zaterdagmiddag naar haar toe. De bezoekjes waren maar kort. Ze keek je aan en dat was alles. Geen enkele reactie en een zeer droevige situatie. Wim wilde niet meer mee, want zei hij: ”Moeder is niet goed” en wees daarbij op zijn voorhoofd. Toen ze stierf waren wij bij haar. Mijn zus Bep is ook al lange tijd geleden overleden. Ik ben dus als oudste van het gezin alleen over.
Mijn grootvader Willem de Jong is in november 1941 in de Prins Hendrikstichting in Egmond aan Zee, destijds een tehuis voor oude zeelieden die meer dan 30 jaar hadden gevaren, overleden. Mijn grootvader Hendrik Mars, de vader van mijn moeder, mijn oma Betje en mijn tante Marie Mars, de enige zuster van mijn moeder zijn er ook al lang niet meer. In Amerika kreeg ik 5 dagen bijzonder verlof voor familiebezoek na grondig onderzoek. Mijn moeder had twee broers: Klaas en Frans. Frans werkte bij het gasbedrijf als grondwerker. Klaas voer op de koopvaardij en lag voor de oorlog met het schip in de haven van Boston. Hij ging de wal op en ontmoette een meisje Mary en ging niet meer terug naar zijn schip. Later zijn zij getrouwd en kregen twee kinderen: een zoon en een dochter Mildred. Oom Klaas woonde op Long Island New York. Toen we elkaar ontmoetten was hij erg overstuur om de zoon van zijn overleden zuster te ontmoeten. Een en ander was uitgebreid in de krant te lezen en die krant heb ik nog. We hebben die paar dagen de stad voor een klein deel gezien en hadden elkaar veel te vertellen. Later zijn Atie en ik bij Mildred en haar man John Lombardi op bezoek geweest en zij bij ons. We hebben toen een tocht met de boot gemaakt en daar raakte zij niet over uitgesproken. Die natuur en die rust.
Ik ga afronden. Het Korps Mariniers (zeesoldaten) werd op 10 december 1665 opgericht door Admiraal Michiel de Ruyter en de Brigade op 13 september 1944 door Generaal Majoor De Bruyne. Het Korps bestaat nog steeds en de Brigade werd opgeheven (buiten dienst gesteld) op 7 juni 1949 na drie en een halfjaar actie in Indië (Oost Java).
Na ons vertrek uit Indonesië moesten we vaststellen dat plm 470 Mariniers zijn gesneuveld en zijn begraven op het Ereveld Kembang Kuning te Soerabaja. Vele saluutschoten hebben we daar afgegeven tijdens de begrafenissen van onze ‘Maatjes’. In totaal zijn 6.500 mannen in Indonesië gesneuveld en op diverse Erevelden begraven.
Met mijn gezondheid gaat het, zover ik weet goed. Mijn waterhuishouding is niet helemaal waterdicht meer en dan moet je 's nachts een paar keer je bed uit en velen met mij ondervinden dat. Mijn speekselklieren maken overuren en dat vind ik naar voor de mensen waarmee ik in gesprek ben. Verder werkt alles naar behoren al merk ik wel dat de 'jaartjes' beginnen te plagen.
Het heeft veel tijd en energie gekost om dit verhaal over mijn lange leven en dat van degenen die ik – zonder hun toestemming vooraf – hier met name heb genoemd, op papier te krijgen. Ik realiseer mij ook dat ik situaties heb beschreven, die ‘hemels gestuurd’ waren. Zoals mijn geheime komst en verblijf op de boerderij dat mijn leven heeft gered, want de “Barre hongerwinter” in IJmuiden had ik niet overleefd en IJmuiden werd pas augustus 1945 bevrijd. En mijn tijd in Indië tijdens een soort van guerrilla oorlog met gevaarlijke momenten en gevechtsacties; en de ontmoeting met mijn toen nog onbekende schoonvader en vervolgens met zijn dochter Atie en het overlijden van Atie. Dan zeg ik blijmoedig en oprecht in mijn IJmuidense openheid:
“Onze Lieve Heer heeft het allemaal goed geregeld”.
Komt, laat ons voortgaan kind'ren, want d'avond is nabij!
Henk de Jong
Velserbroek, september 2026
terug